Jan Bloemendal, Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal

Jan Bloemendal, Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal

Recensie

Zoals de ondertitel het aangeeft: dit is een cultuurgeschiedenis van het Latijn. Dus geen linguïstische geschiedenis waarin de evolutie van de taal wordt beschreven en die slechts taalkundigen zou kunnen interesseren. Bloemendal is het er daarentegen om te doen een antwoord te vinden op wat hij als kernvraag formuleert (blz. 11): hoe heeft het Latijn zich zo lang kunnen handhaven, ofwel: hoe heeft het een zo belangrijke positie weten te krijgen en te behouden? Het gaat dus om een problematiek die niet zozeer - of althans niet in de eerste plaats - diegene zal interesseren die uitsluitend voor de klassieke oudheid belangstelling heeft. De auteur is trouwens geen vakspecialist klassieke oudheid maar wel van nabij betrokken bij de wetenschappelijke uitgave van alle werken van Erasmus. Omdat het Latijn eeuwen lang na de ondergang van het West-Romeinse rijk een centrale plaats heeft ingenomen in de Europese cultuurgeschiedenis zullen alle historisch geïnteresseerden hier hun gading vinden. Dit des te meer omdat Bloemendal bij de behandeling van zijn onderwerp steeds oog heeft voor de bredere historische en culturele context.

Ik kan de inhoud van het werk niet beter samenvatten dan in de woorden van de auteur zelf (blz. 11-12). De eerste twee hoofdstukken geven een algemene inleiding op het gebruik van het Latijn van 750 v. Chr. tot 1750 n. Chr. . Hierin worden de grote lijnen geschetst die in andere hoofdstukken nader worden uitgewerkt; ... Om zich van het Latijn te kunnen blijven bedienen, moesten de regels van de taal worden doorgegeven, waarin het onderwijs een cruciale rol speelde. Daarover handelt het derde hoofdstuk. Een belangrijk instituut dat de taal doorgaf en tegelijkertijd veranderde, was de Kerk. Het 'Kerklatijn' wordt in het hoofdstuk 4 besproken. Verder was het nodig dat teksten werden overgeleverd, wat nooit rimpelloos verliep, zeker niet in de tijd van het handgeschreven boek. Daarom ontstonden al in de oudheid vormen van filologie, het grondig lezen en zo nodig corrigeren van teksten die in het proces van het doorgeven veranderd waren. Dat proces vormt het onderwerp van het vijfde hoofdstuk. Als dan de voorwaarden voor het voortbestaan van het Latijn geschetst zijn, kan de inhoud aan bod komen. Achtereenvolgens zullen de rol van het Latijn in het doorgeven van de idealen van humanitas en charitas (hoofdstuk 6), het gebruik van het Latijn in de kerk, in de staat en in de rechtspraak, en in het politieke denken (hoofdstuk 7) worden besproken. Een hoofdstuk over het Latijn in Nederland en in het Nederlands sluit het boek. Dan volgen nog een appendix (blz. 207-214) met de Latijnse originele tekst van de citaten die in het exposé in Nederlandse vertaling zijn opgenomen, een selectieve literatuurlijst en een register.

Uit deze summiere inhoudsopgave zal al duidelijk blijken hoezeer deze cultuurgeschiedenis van een wereldtaal in belangrijke mate ook een Europese cultuurgeschiedenis is geworden en het is geen geringe krachttoer van de auteur dat hij daarin geslaagd is binnen relatief kort bestek, zonder essentiële informatie te moeten opofferen en zonder afbreuk te doen aan de vlotte leesbaarheid. De auteur heeft daarenboven de tekst gelardeerd met relevante citaten. Enkele kaderartikels op grijze achtergrond geven nadere informatie over belangrijke figuren als Cicero, Isidorus van Sevilla, Augustinus, Thomas van Aquino, Erasmus, Lorenzo Valla of over de verschillende schriftsoorten. Verder krijgt de lezer ook heel wat informatie over onderwerpen die in de geschiedenisboeken doorgaans onderbelicht blijven zoals o.m. gebruik en verspreiding van de papyrusrol en codex, de principes van de filologische tekstkritiek, publiceren in de oudheid. Men verneemt tevens dat enkele van de belangrijkste wetenschappers hun meest baanbrekende werken in het Latijn hebben geschreven zoals Copernicus (De revolutionibus orbium caelestium), Kepler (Astronomia Nova), Newton (Philosophiae naturalis principa mathematica), E. Halley (over de naar hem genoemde komeet) en dat deze laatste verder nog een prachtig gedicht schreef in het Latijn om Newtons Principia aan te prijzen. In het laatste hoofdstuk (Latijn in Nederland) geeft de auteur een opsomming van enkele Nederlandse woorden die aan het Latijn zijn ontleend. Naast woorden waarvan dit voor iedereen vrij duidelijk is, behoren daar ook woorden toe waarvan we dit nauwelijks nog zouden vermoeden zoals o.m. muur, tegel, metselen, zolder, kelder, kamer, spiegel, emmer, tafel, zerk, straat, molen, sikkel, biet, graan, planten, ui, ajuin, vrucht, peren, perziken, kaas, vest, ketenen, pijl, zeker, munt, pond, graad, kopen, markt. Dat heel wat wetenschappelijke termen in het Nederlands - zoals overigens in de meeste moderne talen - gevormd zijn met Latijnse (en Griekse) elementen wordt uiteraard ook vermeld. Maar het boek maakt in de eerste plaats duidelijk in welke grote mate de Romeinse cultuur en de Latijnse taal mede aan de basis hebben gestaan van de Europese cultuur.
Te betreuren is dat in het exposé de rol en betekenis van enkele Vlamingen onvermeld blijft. Zo had de auteur, daar waar hij het heeft over de vele termen van Latijnse (en Griekse) herkomst die in de wetenschappelijke terminologie van de moderne talen zijn doorgedrongen, kunnen aanstippen dat dit in het Nederlands aanzienlijk minder het geval is geweest dan in andere moderne talen en dat de uit Brugge afkomstige Simon Stevin daar voor een groot deel verantwoordelijk voor is. Hij bedacht immers zuiver Nederlandse termen voor begrippen die in andere moderne talen met een uit het Grieks of Latijn afgeleid woord worden aangeduid. Vooral in de wiskunde (ook dit woord is een van de creatieve vondsten van Stevin) is dit het geval. In de passage over de Latijnse vertalingen van Griekse werken in de Middeleeuwen mis ik Willem van Moerbeke (bij Geraardsbergen) die in de dertiende eeuw Aristoteles direct uit het Grieks in het Latijn vertaalde (dit was de vertaling waarvan Thomas van Aquino gebruik maakte). Een tijd- en naamgenoot, Willem van Rubroek, maakte van zijn reis (waarbij hij maar liefst 16.000 km. aflegde) naar Karakorum, de hoofdplaats van de Mongolen, in het Latijn een reisverslag dat door de specialisten tot het beste in het genre gerekend wordt en qua betrouwbaarheid en informatieve waarde hoger wordt aangeslagen dan dat van Marco Polo (vermelden we dat een van de vroegere voorzitters van de VVLG, Paul Vandepitte, meewerkte aan de Nederlandse vertaling die in 1984 verscheen en in 2013 een derde druk beleefde). Het reisverslag van Willen van Rubroek kende dan ook een groot succes niet alleen in zijn tijd maar ook in de volgende eeuwen waarin het gold als ‘de’ referentie voor de door hem beschreven gebieden en gebruiken. Een andere Vlaming die een vermelding had verdiend is ongetwijfeld Ogier Ghisleen van Busbeke (bij Komen). In opdracht van keizer Ferdinand I van Oostenrijk reisde hij tweemaal (in 1554-1555 en 1555-1562) als gezant naar de Turkse sultan. Niet alleen ontdekte hij in Ankara de 'koningin der Latijnse inscripties' met de tekst van de Res Gestae van Augustus en trof hij op de Krim bewoners aan die een Germaanse taal (het Krimgotisch) spraken maar hij bracht ook de tulp naar Nederland. Over zijn reis en zijn diplomatieke contacten met de Turkse sultan schreef hij in het Latijn vier uitgebreide verslagen (Legationis Turcicae Epistolae quattuor) die tussen 1581 en 1598 zeven heruitgaven kenden, in de 17e eeuw nog eens een twintigtal en daarna tot in 1750 een veertigtal. Een bestseller dus avant la lettre die daarenboven ook nog vlug werd vertaald in het Tsjechisch (1594), Duits (1596), Pools (1597), Spaans (1610) Nederlands (1632), Frans (1646) en Engels (1694). Ook deze vertalingen kenden meerdere herdrukken. Al die tijd was hij 'de autoriteit' voor wat Turkse aangelegenheden betreft. Maar deze leemten doen geen afbreuk aan de vele kwaliteiten van dit werk waarin de Europese cultuurgeschiedenis vanuit een originele invalshoek wordt benaderd.

Voor wie zich verder in deze materie wil verdiepen vermeld ik nog dat van een van de belangrijkste referentiewerken over dit onderwerp, Latein. Geschichte einer Weltsprache, München 2009 onlangs (2015) de pocketuitgave (514 blz., 14 €) verscheen van de Franse vertaling (La grande histoire du latin). Over de auteur, Jürgen Leonhardt, schrijft Bloemendal (blz. 218) dat hij zich een dwerg voelt op diens schouders.

Robert DUTHOY
 

Afbeelding

Bibliografische gegevens

Jan Bloemendal, Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal. Amsterdam, Athenaeum - Polak & Van Gennep 2016. 229 blz. 19,99 €.