Roel Van der Veen, Waarom Azië rijk en machtig wordt.

Roel Van der Veen, Waarom Azië rijk en machtig wordt.

Recensie

Roel Van der Veen heeft jaren onderzoek verricht om het begin van de ontwikkeling van Azië te verklaren. Hoe zijn de samenlevingen in Azië erin geslaagd om de overganng te maken van een premodern status-quosysteem naar een moderniserend systeem? Zeggen we meteen dat hij daar een briljant boek heeft over geschreven Hij slaagt erin om zijn lezers over deze problematiek fundamentele inzichten aan te reiken. Zijn initiële vraagstelling is uiteraard cruciaal. Het economische succesverhaal van Azië – veeleer een comeback dan een opkomst uit het niets – is hét fenomeen van de overgangsdecennia die de wereld momenteel beleeft. En het is dus bijzonder relevant aan de weet te komen wanneer, waar en vooral hoe die ontwikkeling is opgestart. Hoe is dat opzienbarende succes te verklaren? Zeker als je bedenkt dat het niet alleen om middelgrote staten/samenlevingen gaat maar ook om ‘reuzen’ als China en India. Het gaat om de succesvolle ontwikkeling van een massale bevolking, zo’n 3,5 miljard mensen, dus om meer dan de helft van de wereldbevolking. De vraagstelling is des te relevanter omdat de wereld/de mensheid geconfronteerd wordt met de uitdaging dat een aantal samenlevingen – zelfs haast een heel continent, namelijk Afrika – er niét in slaagt om economische groei, en dus duurzame veranderingen en welvaartscreatie, op gang te trekken. Laat het nu juist dat werelddeel zijn, waarover de auteur zijn vorige boek gepubliceerd heeft: ‘Afrika van de Koude Oorlog naar de 21ste eeuw’ (2002). Waarom lukt Azië wel wat Afrika niet lukt? Voegen we er onmiddellijk aan toe dat Van der Veen niet heel Azië behandelt. Hij focust zijn onderzoek op het hart van Azië, met name op drie regio’s: Zuid-, Oost- en Zuidoost-Azië. Rusland en Centraal-Azië worden dus niet behandeld. Opvallend is dat het in zijn onderzoek in feite gaat om een uitdeinende waaier. De vraagstelling verraadt een diepe bekommernis om het lot van mensen, in de eerste plaats in de Aziatische samenlevingen. Ontwikkeling – wat staat voor modernisering – haalt honderden miljoenen mensen daar uit de armoede. Maar dat heeft niet alleen een impact op de eigen regio en vervolgens op het eigen continent. Dat fenomenale proces heeft onmiskenbaar ook gevolgen voor de rest van de wereld. Hoe zal het het bestaan van de mensen bijvoorbeeld in Afrika beïnvloeden? Hoe zal het de machtsverhoudingen op wereldvlak veranderen? Dat laatste is een bekommernis die Roel Van der Veen niet kan ontwijken, maar het is niet zijn centrale zorg. Om het verslag van zijn onderzoek zo transparant mogelijk te maken voor de lezer, heeft hij voor zijn boek gekozen voor een structuur die een mix is van chronologie (historie) en geografie. Wat we de hoofdstekst van het boek zouden kunnen noemen bestaat uit zes delen, die elk weer uit zes hoofdstukken bestaan.

In deel 1 geeft hij een overzicht van het premoderne Azië. Hier gaat het dus om de uitgangspositie van het continent. Wat de verschillende samenlevingen toen verenigde, was het behoud van de status-quo. Hij focust niettemin op de belangrijkste ‘systemen’, namelijk het Indiase en het Chinese. Het beginpunt van de analyse ligt voor beide in de zesde eeuw voor Christus. Feitelijk biedt Van der Veen hier een ruime schets van de historische omgeving van de verschillende premoderne ‘stelsels’ in Azië. Dat eerste deel eindigt met de decennia om en rond het midden van de 19de eeuw, die een cesuur vormden in de wisselwerking tussen Azië en de imperialistische Europese industriestaten. Rond 1850 was de druk vanuit Europa dermate toegenomen, dat Azië krachtiger ging reageren. Daarmee begint het verhaal van de Aziatische ontwikkeling. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de auteur het tweede deel focust op Japan. De Meijirestauratie heeft Japen ‘omgetoverd’ tot een moderne economie en een moderne gecentraliseerde staat. Als het verhaal over Japan tot de Tweede Wereldoorlog is gevorderd volgt een uitgebreid intermezzo – twee hoofdstukken – waarin Van der Veen uitlegt wat er in dezelfde periode in de rest van het continent gebeurde. In de twee laatste hoofdstukken van dit deel staat Japan opnieuw centraal. In de delen 3 en 4 komt dan de uitwaaiering van de modernisering vanuit Japan aan bod, eerst de vier relatief kleine gebieden aan de rand van China, namelijk Taiwan, Zuid-Korea, Hongkong en Singapore – de vier’ Aziatische tijgers’ (deel 3), vervolgens de samenlevingen in Zuidoost-Azië die door de moderniseringsgolf werden ‘omgeploegd’, Thailand, Maleisië en Indonesië (deel 4). Herhalen we dat het telkens gaat om het onderzoek van de beginnende ontwikkeling in die samenlevingen. In deel 5 behandelt Van der Veen uitvoerig de transitie van de Volksrepubliek China, die om en rond 1980 is opgestart. China bood een unieke combinatie van geografische en demografische omvang – een continentale staat met een massale bevolking. China is de meest succesvolle transitiestaat geworden, niet alleen een transitie van premoderne status-quo naar ‘moderniteit’ maar ook van centraalgeleide economie (CGE) naar gedecentraliseerde markteconomie (GME) . Op de keper beschouwd is die laatste typering misleidend; de typering van het regime in Beijing, ‘socialistische markteconomie’, verdient de voorkeur. Recente publicaties in Azië zelf vestigen daar de aandacht op: zo onder meer Carl E. Walter en Fraser J.T. Howie, Red Capitalism. The Fragile Financial Foundation of China’s Extraordinary Rise. (Singapore, 2011). Dit deel wordt afgesloten met een behandeling van Vietnam. In deel 6 komt Zuid-Azië aan bod, met focus op India en dan verder de andere samenlevingen van het subcontinent, ‘waar staten het laten afweten’, aldus de auteur. Van der Veen sluit zijn boek af met een samenvatting (Een beter leven in Azië) en een reeks uitvoerige conclusies (blzn.487-553). De centrale vraag waarom Azië rijk en machtig wordt, krijgt hier een antwoord en het mechanisme van de veranderingen wordt uiteengezet. Het boek is in zijn geheel bijzonder boeiend, maar de lectuur van deze zeven hoofdstukken is uitermate instructief. Zo toetst de auteur de modernisering – de duurzame economische groei van Azië – aan de millenniumdoelstellingen die in 2000 in de Verenigde Naties werden afgesproken. Op de eerste rang staat dan het terugdringen van het aantal mensen dat in extreme armoede moet leven. Hier krijgen we de bevestiging dat de beste algemene groeistrategie – vooral in de eerste stadia van ontwikkeling – een ‘pro-poorstrategie’ is, gebaseerd op de landbouw door kleine boeren. Het gaat erom de productieve mogelijkheden van de arme bevolking te vergroten. ‘Uitgerekend de groei in de landbouwsector verschaft talrijke mogelijkheden voor groei in andere sectoren van de economie’, aldus Van der Veen. De decollectivisering in China en het succes van de TVE’s (town and village enterprises) illustreert dat op schitterende wijze: de honderden miljoenen die in China uit de armoede zijn opgetrokken, blijft historisch gezien een unieke prestatie.

Dit boek is een vulkaan van inzichten en inzichtverruimende vergelijkingen. Het volstaat te verwijzen naar de vergelijking tussen de eerste stadia van ontwikkeling in Europa en Azië en welke lessen daaruit te treekken zijn voor Afrika. Het is onmogelijk om de rijkdom van dit boek en de menselijke betrokkenheid van zijn auteur in een recensie op te roepen. Ondoenbaar, want het is een overweldigend boek. En door zijn cruciale vraagstelling is het ook onvoorstelbaar toekomstgericht. Verleden, heden en toekomst vervloeien in elkaar, net zoals dat ook in de realiteit het geval is. Fernand Braudel heeft ooit gezegd: ‘L’histoire change, parce que les questions qu’on lui pose, changent’. Dat kun je relateren aan de verschillende historische samenlevingen/maatschappijen: in elke maatschappij kijken de mensen ànders aan tegen het verleden en stellen dat verleden àndere vragen. Maar je kan het natuurlijk ook relateren aan de verschillende wetenschappelijke disciplines: een anthropoloog, een economist, een politoloog… zullen ook àndere vragen hebben. Door die uiteenlopende bevraging reveleert het verleden telkens weer àndere facetten van de realiteit. Maar de vraagstelling van Roel Van der Veen graaft meer dan een laagje dieper. Wat opvalt is dat hij zijn onderzoek naar de verklaring voor de start van duurzame economische groei in Azië met een bijzonder open geest heeft gevoerd: hij volgt op geen enkel moment gebaande paden; hij zoekt naar wat nog relevant is in zogezegd achterhaalde theorieën en onderwerpt het eigentijdse ‘correcte denken’ aan scherpe kritiek; hij vraagt uiteraard veel aandacht voor de progressie die mensen en samenlevingen maken maar lijst ook de nadelen op die inherent zijn aan de modernisering (pp.539-541). Het is een bijzonder helder doordacht en genuanceerd geformuleerd verslag geworden van een proces dat wereldwijd van fundamenteel belang is.

Als recensent is het altijd mogelijk om hier een daar wat kritische noten te formuleren, maar in verband met Roel Van der Veens magistrale synthese zouden dat peanuts zijn. Niettemin enkele randbemerkingen… Op pagina 481 legt de auteur de werking uit van de ‘wet van de remmende vooruitgang’ (‘the law of the retarding lead’) en op pagina 501 vermeldt hij zelfs expliciet deze wet, maar… nergens vindt de lezer een verwijzing naar Jan Romein, de historicus die deze wet voor het eerst geformuleerd heeft, zelfs niet in de uitvoerige bibliografie. Dat laatste is ook vreemd, aangezien professor Romein toch ook de auteur was van een onvolprezen boek over Azië, namelijk ‘De eeuw van Azië’. Zeg nu zelf, onder Nederlandse collega’s is dit wel een opvallende uiting van bescheidenheid. Tweede ‘peanut’: nergens in dit boek valt de term ‘conservatieve modernisering’, alhoewel de auteur bij herhaling verwijst naar regimes die dat in Azië in de praktijk hebben gebracht en ook bij herhaling verwijst hij naar de cruciale rol van de staat en van politieke leiders in de transitie van de premoderne status-quofase naar een moderne duurzame groei-economie. Maar de bijzonder relevante ‘ijking’ conservatieve modernisering gebruikt hij nergens… Inderdaad peanuts… Voor leerkrachten-geschiedenis met een opdracht in de derde graad is de lectuur van het boek van Roel Van der Veen een bijzonder sterke aanrader. We zouden zeggen: verplichte lectuur! Het verdient zelfs sterke aanbeveling om het laatste deel van het boek – de samenvatting en de conclusies – klassikaal te lezen met zesdejaars: voor het zesjarige geschiedeniscurriculum van deze jongeren zou de gecommentarieerde klassikale lectuur een waardevolle, spetterende afsluiter zijn!

Hugo Van de Voorde ere-inspecteur Geschiedenis van de Vlaamse Gemeenschap hugovandevoorde1@telenet.be

Afbeelding

Bibliografische gegevens

Roel Van der Veen, Waarom Azië rijk en machtig wordt. Amsterdam, 2010. KIT Publishers.592 blzn.