Mary Beard, S.P.Q.R. . Een geschiedenis van het Romeinse rijk

Mary Beard, S.P.Q.R. . Een geschiedenis van het Romeinse rijk

Recensie

Ik begin met een waarschuwing. Geloof de uitgever (of zijn marketing afdeling) niet als hij op de omslagwikkel van het boek beweert dat dit werk:' het definitieve boek over het oude Rome is.' Het is dit beslist niet en ik twijfel er overigens geen ogenblik aan dat M. Beard de eerste zou zijn om deze kwalificatie af te wijzen. Niet alleen omdat een definitief boek over Rome hoe dan ook een utopie is maar ook omdat we in dit concrete geval met een eigenzinnig en niet zelden tegendraads boek te maken hebben. Dit is een van de grote charmes van het boek maar het sluit meteen iedere aanspraak op de kwalificatie definitief uit. Omdat het bovendien bij de lezer al enige voorkennis van en vertrouwdheid met de Romeinse geschiedenis veronderstelt kan het evenmin aanbevolen worden als een geschikte eerste kennismaking met de geschiedenis van Rome.

Dit gezegd zijnde, haast ik mij om daar onmiddellijk aan toe te voegen dat ik de andere lof waarmee op de flap het boek wordt aangeprezen als een 'frisse kijk op de Romeinse geschiedenis' en 'werpt een nieuw licht op veel aspecten van de Romeinse geschiedenis' graag en volmondig onderschrijf. M. Beard heeft een boek geschreven dat diegenen die al enigszins vertrouwd zijn met het onderwerp veel nieuwe en waardevolle inzichten zal bijbrengen en bij hen ook een aantal zekerheden onderuit halen. De reputatie van M. Beard staat daar trouwens borg voor . Ze heeft er immers zowat haar handelsmerk van gemaakt in haar studies kritische kanttekeningen te maken bij wat voor als de communis opinio doorgaat en bij het formuleren van haar originele maar meestal degelijk wetenschappelijk onderbouwde stellingen en interpretaties de provocatie niet te schuwen. Zij maakt er overigens geen geheim van dat dit ook in dit boek haar bedoeling is zoals te lezen valt in de proloog (blz. 17): Eigenlijk wil SPQR kritisch kijken naar enkele van de mythen en halve waarheden waarmee ik net als vele anderen ben opgegroeid'' . Maar om daar ten volle van te kunnen genieten moet men al een en ander over de door haar aangesneden onderwerpen weten. M.a.w.: in weerwil van de boeiende schrijftrant (waaraan de uitstekende vertaling door Ineke Mertens volledig recht doet) en de spitse formuleringen geen voer voor dummies. Maar wel een tonische en prikkelende delicatesse voor fijnproevers en gevorderden in de materie.

Het boek vangt, na een proloog, aan met een hoofdstuk gewijd aan de gebeurtenissen te Rome in 63 v. Chr. toen de consul Cicero in volle senaat Catilina ervan beschuldigde een samenzwering te beramen. Voor M. Beard vormt dit het aanknopingspunt om nader in te gaan op de vraag hoe de moderne historicus moet omgaan met zijn antieke bronnen. Na een uitvoerige beschrijving van de gebeurtenissen rond de samenzwering zoals die op grond van het in dit geval overvloedige bronnenmateriaal kan gereconstrueerd worden, komt M. Beard met een reeks kritische opmerkingen die de traditionele voorstelling over de gang van zaken op de helling zetten. Na deze boeiende les in historische kritiek volgen vijf hoofdstukken (blz. 50-272) waarin grosso modo in chronologische volgorde de geschiedenis van Rome vanaf het ontstaan tot aan de moord op Caesar in 44 v. Chr. . Daarbij wordt m.i. onevenredig veel aandacht besteed aan de periode tot ca. 400 v. Chr.. Het verhaal dat de auteur brengt van de evolutie in de daaropvolgende eeuwen (blz. 141-272) is levendig en is er niet zozeer op gericht de lezer te overstelpen met een massa feitenmateriaal dan wel inzicht te bieden. Daarbij gaat de aandacht zowel naar de interne institutionele en politieke ontwikkelingen als naar de wijze waarop de Romeinse militaire expansie verliep die Rome uiteindelijk de hegemonie over de hele mediterrane wereld zou opleveren. Actualiseringen worden daarbij niet geschuwd. Telkens ook tracht de auteur duidelijk te maken in hoeverre het bronnenmateriaal bepalend is voor het beeld dat wij van deze ontwikkelingen hebben en waar nodig plaatst zij kritische kanttekeningen bij wat doorgaat als de communis opinio. Hoofdstuk 8 (blz. 273-309) is dan gewijd aan een schets en een analyse van de sociale en economische toestanden en evoluties in de laatste eeuwen van de republiek. Uitgaande van de overvloedige informatie die de correspondentie van Cicero biedt, wordt nader ingegaan op de betekenis van huwelijk en bezit in de Romeinse samenleving, het sociaal en economisch belang van huis en grondbezit voor de welstellenden en de betekenis van de slavernij waarvan de auteur een genuanceerd beeld schetst.

In hoofdstuk 9, De metamorfosen van Augustus, (blz. 310-354) beschrijft M. Beard de overgang van Republiek naar Principaat en onvermijdelijk staat daarbij Augustus die meer dan vijftig jaar het Romeinse politieke leven zou beheersen, centraal. Na te hebben verhaald hoe hij tussen 44 en 31 v. Chr. de ene na de andere rivaal elimineerde gaat M. Beard nader in op wat zij het raadsel Augustus noemt, hoe hij zijn alleenheerschappij vorm gaf en geleidelijk daartoe een reeks institutionele hervormingen en vernieuwingen doorvoerde waardoor hij niet alleen een nieuw regime, dat wij het Principaat noemen, vestigde maar ook de voorwaarden schiep voor de duurzaamheid ervan. In hoofdstuk 10 schetst de auteur dan de verdere evolutie tot 192 na Chr. . Het is geen strikt chronologisch relaas geworden van de opeenvolgende regeringsperiodes van de veertien keizers die in het voetspoor van Augustus traden. Een behandeling van de casus Caligula vormt voor Beard de insteek om te stellen dat we ons moeten realiseren dat 'de eigenschappen en karakters van de verschillende keizers er weinig toe (deden) voor de meeste inwoners van het rijk of voor de essentiële structuren van de Romeinse geschiedenis en haar belangrijkste ontwikkelingen.' Maar dit uitgangspunt maakt haar gelukkig niet blind voor de belangrijkste ontwikkelingen tussen 14 en 192: 'het paleiselijk hoofdkwartier op de Palatijn werd enorm uitgebreid, de staf van de keizerlijke administratie groeide tot een ongekende omvang uit en de infrastructuur werd veel ingewikkelder en geleidelijk begon de keizer er voor zijn onderdanen heel anders uit te zien.' Hierop en ook op het probleem van de opvolging, de verhouding tussen keizer en senaat en tenslotte de diverse vormen van vergoddelijking van de keizer gaat de auteur nader in en komt daarbij meer dan eens met originele beschouwingen voor de dag.
Onder de titel Bezitters en bezitlozen komen in hoofdstuk 11, de sociale en economische verhoudingen tijdens het Principaat aan bod. Het leven van de rijken wordt afgezet tegen dat van diegenen die moesten leven van de opbrengst van hun arbeid en dat brengt M. Beard tot de vraag waarom er, gezien de enorme kloof tussen arm en rijk in de Romeinse wereld, niet meer openlijke sociale en politieke conflicten waren. Maar een duidelijk en bevredigend antwoord komt er niet. In hoofdstuk 12, Rome buiten Rome, biedt de auteur, uitgaande van de briefwisseling tussen keizer Trajanus en Plinius, toen die gouverneur van Bithynia was, een concreet beeld van de manier waarop in de provincies het keizerrijk werd bestuurd. Daarbij komen ook de romanisering van de provincies en de opstanden tegen het Romeinse gezag aan bod.

In de korte (blz. 481-489) epiloog benadrukt M. Beard de betekenis van de verlening door keizer Caracalla in 212 van het Romeinse burgerrecht aan alle vrije inwoners van het Romeinse rijk. Volgens M Beard, die zich hiervoor baseert op de berekeningen en een 'model' in een recent artikel van Myles Lavan, zouden daarbij dertig miljoen inwoners van de ene dag op de andere voor de wet Romein zijn geworden. Dat het er in ieder geval vele miljoenen zijn geweest valt niet te ontkennen en de opmerking van M. Beard dat 'dit een van de grootste - zo niet de allergrootste - eenmalige toekenningen van burgerschap in de wereldgeschiedenis (was) is dan ook terecht. Een steekhoudend antwoord op de vraag naar de motieven achter deze beslissing kan ook Beard niet bieden maar ze maakt wel duidelijk dat deze beslissing, samen met nog enkele andere veranderingen, het begin van een nieuw tijdperk in de Romeinse geschiedenis betekende die van het Romeinse rijk een totaal ander rijk maakte, reden waarom zij haar geschiedenis van Rome in 212 laat eindigen. Met enkele persoonlijke bekentenissen over haar relatie met Rome en zijn geschiedenis besluit M. Beard haar exposé dat van de eerste tot de laatste bladzijde boeit. Dan volgt nog een beredeneerde bibliografie die de lezer in geen geval ongelezen mag laten omdat ze heel wat pertinente opmerkingen bevat. Een chronologische synopsis en een register dragen verder bij tot het gebruikscomfort van de lezer.

Met dit boek brengt M. Beard een geschiedenis van Rome die niet alleen wetenschappelijk onderbouwd is maar bovendien de onderlegde lezer heel wat leesgenoegen en intellectueel genot zal verschaffen. Die lezer krijgt bovendien bij herhaling enkele boeiende lessen historische kritiek rond concrete problemen voorgeschoteld. Maar ook enkele beklijvende beschrijvingen en analyses van gebeurtenissen en ontwikkelingen die de lezer nieuwe inzichten bieden en hem die geschiedenis beter doen begrijpen. Ik denk hierbij o.m. aan de bladzijden over de sociale en economische aspecten en ook aan de wijze waarop in hoofdstuk 9 de overgang van Republiek naar Principaat wordt beschreven en aan de diepgaande analyse van het optreden en de persoonlijkheid van Augustus. Het boek steekt ook vol originele formuleringen zoals wanneer zij op blz. 252 stelt dat Pompeius eigenlijk de eerste Romeinse keizer kan genoemd worden. Van de vele treffende en rake opmerkingen wil ik er bij wijze van voorbeeld slechts één citeren waarmee ze haar bespreking van de houding van de Romeinse overheid tegenover de christenen afsluit (blz. 475): 'De ironie is dat de enige religie die de Romeinen ooit geprobeerd hebben uit te roeien, de religie was waarvan het succes door hun eigen rijk mogelijk werd gemaakt en die binnen de Romeinse wereld tot volle wasdom kwam.'

Ik heb inmiddels al genoeg dit boek bewierookt om me nu ook enkele kritische kanttekeningen te mogen permitteren. Ik heb twee belangrijke bezwaren. Vooreerst dat de auteur m.i. teveel plaats heeft ingeruimd voor de behandeling van de eerste eeuwen van Rome’s bestaan (vanaf het ontstaan tot 400 v. Chr.). Maar liefst 90 bladzijden worden besteed aan een periode die minder relevant is voor de verdere geschiedenis en waarover bovendien weinig met enige zekerheid is geweten. Uiteraard vormen die vele onzekerheden en de hypotheses waartoe die hebben geleid voor Beard gesneden brood om er haar scherpe kritische geest op bot te vieren. Leuke lectuur, daar niet van; maar al bij al bij al niet zo relevant. Een tweede ernstig manco is dat M. Beard amper een poging onderneemt om een antwoord te geven op de vraag hoe Rome erin geslaagd is om de gemeenschappen die het dank zij militaire overmacht onder zijn hegemonie had gebracht, ook op een duurzame wijze te integreren. Dit is des te merkwaardiger omdat M. Beard zelf in de proloog (blz. 16) schrijft dat haar boek o.m. voortkomt uit ' de vraag hoe een klein en onopvallend dorpje in Midden-Italië kon uitgroeien tot een supermacht die zoveel grondgebied op drie continenten beheerste'. Toch rept de auteur met geen woord over de manier waarop de municipiumformule, een originele Romeinse creatie, succesvol tot de duurzame politieke integratie van het Italische schiereiland leidde en evenmin maakt zij duidelijk hoe een uitgekiende strategische inplanting van coloniae latinae de culturele romanisering van het schiereiland bewerkstelligde. De toepassing van vooral deze originele integratieformules tussen grosso modo 381/380 en 80 v. Chr. toont de creativiteit van Rome op gebied van integratie van vreemde gemeenschappen en zorgde ervoor dat Rome in Italië een stevige en duurzame hegemonie kon vestigen en in stand houden waardoor het de sterkste macht in de mediterrane wereld werd en daardoor in staat zegevierend ook de hegemonie over de hele mediterrane wereld te verwerven. Tot de andere minpunten reken ik dat zij - als het over het beschikbare bronnenmateriaal gaat - de Digesta over het hoofd ziet hoewel deze categorie bronnen ons heel wat concrete informatie verschaft over de sociale aspecten en in het bijzonder m.b.t. de Romeinse familieverhoudingen, de slavernij en het beheer van het familiepatrimonium. Merkwaardig is verder dat ze bij het zoeken naar een verklaring voor het feit dat er in de Romeinse wereld niet meer openlijke sociale en politieke conflicten waren (blz. 429-433) de patronus/cliens verhouding, toch een fundamentele Romeinse sociale institutie, onvermeld laat. Tenslotte nog een bibliografisch detail. In de beredeneerde bibliografie schrijft ze op blz. 511 dat de beste studie over de aantallen vroege christenen een studie is van K. Hopkins en ziet daarbij over het hoofd dat in deze studie K. Hopkins eigenlijk niets anders doet dan de gegevens en resultaten overnemen en herhalen van het twee jaar eerder verschenen boek van R. Stark, The Rise of Christianity. A sociologist reconsiders history, Princeton University Press 1996 (vermelden we dat van dit baanbrekend werk in 1998 een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel: De eerste christenen. Een sociologische visie op het ontstaan van het christendom).
Maar deze enkele kritische kanttekeningen doen geen afbreuk aan de vele kwaliteiten van dit werk dat iedereen met reeds enige voorkennis van de Romeinse geschiedenis veel intellectueel genoegen en leesgenot zal bezorgen.

Robert DUTHOY
 

Afbeelding

Bibliografische gegevens

Mary Beard, S.P.Q.R. . Een geschiedenis van het Romeinse rijk. Amsterdam, Athenaeum - Polak & Van Gennep 2016. 544 blz. 29,99 €.