Cas van Houtert, Middeleeuwers tussen hoop en vrees

Cas van Houtert, Middeleeuwers tussen hoop en vrees

Recensie

De Middeleeuwers, wat ervoeren zij? Waarin geloofden zij? Waarvoor waren ze bang? Waarop hoopten zij? Antwoorden hierop heeft de auteur gezocht in wat gebeurde tijdens de periode 800-1250. Hij behandelt zijn onderwerp in een achttal hoofdstukken, achtereenvolgens over Karel de Grote, De Noormannen, Het jaar duizend, De gang naar Canossa, De eerste kruistocht, Cluny, Abélard en Héloise, en tenslotte De kathedralen. De vrees voor rampen, besmettelijke ziekten, oorlog en nederlaag, voor de Antichrist, voor het Laatste Oordeel, voor de hel, voor de verdoemenis komt telkens terug. Maar ook de hoop op vrede, op vergeving van de zonden, op geluk en op de wederkomst van Christus leefde onder de mensen. Het hele concept laat toe dat je elk hoofdstuk als een boek apart kan lezen, handig als aanvullende lectuur bij de voorbereiding van een les. Het zijn immers één voor één onderwerpen die aan historici niet vreemd zijn, maar die de auteur op zijn manier brengt. Hij vertelt zeer gedetailleerd maar tegelijkertijd kadert hij ook elk onderwerp in een ruimere context en introduceert waar nodig een opfrissing van verworven, parate kennis. Zo laat hij o.a. het hoofdstuk over Karel de Grote beginnen met een overzicht van de dynastie van de Merovingen en Karolingers. Hij brengt geen indringende wetenschappelijke beschouwingen en evenmin een nieuwe visie over de middeleeuwen. De auteur is ook geen historicus. Hij heeft een selectie gemaakt uit literatuur over die periode en op basis daarvan zijn werk opgebouwd. Achteraan de tekst vind je een namenregister en per hoofdstuk een overzicht van de geraadpleegde literatuur. Om zijn verhaal te staven verwijst hij in zijn tekst regelmatig naar middeleeuwse bronnen en citeert hij meermaals kroniekschrijvers. Zijn taalgebruik is helemaal geconcipieerd op dat van een journalist maar dat stoort niet. Zijn stijl is meeslepend en zijn interpretatie niet zelden sarcastisch. De lezer moet het wel stellen zonder voetnoten of illustraties en genoegen nemen met enige toelichting over sommige begrippen in de tekst zelf. Enkel in het hoofdstuk over de eerste kruistocht krijgen wij de route te zien die de kruisvaarders volgden en in het hoofdstuk over de abdij van Cluny is de plattegrond afgebeeld. Een atlas erbij nemen is soms wel handig, zelfs nodig. Cas van Houtert brengt op een indringende wijze de Middeleeuwers tot leven. Soms vergaloppeert hij zich in een relaas van feiten en dreigt de lezer door de bomen het bos niet te zien. Dat neemt niet weg dat hij het dikwijls spannend houdt zodat je als lezer bij het boek blijft.
Je leest over Karel de Grote zoals hij doorgaans als christelijk vorst niet wordt voorgesteld : een meedogenloos heerser en een veroveraar, voor wie oorlog voeren het belangrijkste tijdverdrijf was. Dertig jaar lang vocht hij tegen de ‘goddeloze’ Saksen, wat eindigde in een totale onderwerping van dit volk. Karel kende immers een niets ontziende geloofsijver. Ook zijn familiegeschiedenis komt aan bod. Daaruit blijkt dat hij de katholieke huwelijksmoraal aan zijn laars lapte, ondanks een herderlijk schrijven van paus Adrianus I. Maar Karel was ook mecenas en bouwde kerken en een netwerk van abdijen met scriptoria en kloosterscholen. Er kwam een culturele heropleving die later “Karolingische renaissance” zal worden genoemd, een benaming die volgens de auteur misplaatst is.
De geschiedenis van de Noormannen begonnen als avontuur, roof, onderdrukking en moordpartijen eindigde in macht, rijkdom en internationaal aanzien. De Vikingen werden voorgesteld als goddelozen, moordenaars, handlangers van de Antichrist en gezien als duivels. Vandaag zien wij hen ook als een volk van ontdekkingsreizigers, handelaars, gewiekste zeelieden, met een eigen cultuur en kunst, een eigen schrift (systeem van runen) en eigen goden. En ook hier had een kaartje duidelijk kunnen maken hoe belangrijk zij zijn geweest in de geschiedenis van Europa.
Het jaar duizend zou het einde van de wereld zijn. Wanneer en hoe dat zou gebeuren deed de fantasie van de mensen op hol slaan. Ontreddering ontstond wel door waarneembare gebeurtenissen zoals: epidemieën, zonsverduisteringen, hongersnoden en oorlogen als verschijnselen die vooraf gaan aan het einde van de wereld. Als wapen tegen dat alles waren relieken onmisbaar. Ze waren een godsgeschenk en een steun om zich voor te bereiden op het einde van de wereld. Abdijen en kerken begonnen ze aan te schaffen wat leidde tot een grote vindingrijkheid en zelfs wedijver om de waardevolste te bezitten.
In De gang naar Canossa wordt verhaald over de aanstelling door de vorst van bisschoppen en abten, die bovendien niet eens priester hoefden te zijn en zich niet dienden te houden aan het celibaat. Dat leidde onvermijdelijk tot de ‘investituurstrijd’ tussen paus en vorst. Een verhaal vol intriges werd het, met flash backs die het lezen soms moeilijk maakt. De lezer zoekt tevergeefs de chronologie die volledig onderuit gehaald is. Door de ontmoeting tussen koning Hendrik IV en paus Gregorius VII in Canossa in 1076 krijgt de strijd een wending. Maar pas in 1122 door het Concordaat van Worms tussen Hendrik V en paus Calixtus II kwam er een einde aan.
Het relaas over De eerste Kruistocht na de oproep van paus Urbanus II in 1095 wordt in geuren en kleuren uit de doeken gedaan. Terwijl de paus de voorbereidselen neemt voor de start, is er al één bevolkingsgroep mee begonnen: een volksmassa van boeren, stedelingen, daklozen, vluchtelingen, aangespoord door ene Peter van Amiens, een voormalig kluizenaar uit Picardië. Het werd een wanhopige rooftocht vanuit Midden Europa en het Rijnland en die na een tweetal jaren mislukte zonder het doel te bereiken. Hierna vertrok dan de officiële kruistocht die bestond uit 5 ridderlegers met elk een andere route en die leidde tot de verovering van Jeruzalem in 1099. Godfried van Bouillon werd dan uitgeroepen tot ‘Beschermheer van het Heilig Graf’. Geen mooi verhaal, waarin beschreven wordt hoe de steden die de kruisvaarders aandeden onderweg naar Jeruzalem bestormd, geplunderd, vernield en veroverd werden. Zo ook steden die de dag van vandaag ons bekend in de oren klinken.
Als een “kerk in de kerk” had de abdij van Cluny ruim vijftienhonderd kloosters onder haar hoede. De ‘Ecclesia Cluniacensis’ strekte zich uit van Schotland tot Zuid Italië en van Portugal tot de Baltische kust. De abdijkerk was de grootste, imposantste en prachtigste van het christelijke westen. Het klooster stond symbool voor vroomheid en zuiverheid tegenover de verloedering die overal aan de gang was. Priesters, bisschoppen en abten hielden zich niet aan het celibaat. Ze waren getrouwd of hielden er concubines op na. Cluny onderhield een sterke band met de Heilige Stoel. Ze ontwikkelde een uitzonderlijke status als hervormingsabdij. Cluny mocht ook van elders komende monniken opnemen als zij kwamen uit onvrede met hun eigen abdij. Dat was zelfs een voorrecht in strijd met het beginsel van ‘stabilitas loci’, regel van Benedictus.
Abélard en Héloïse, de bekende en dramatische liefdesgeschiedenis tussen een filosofiedocent Abélard en een studente Héloïse heeft de auteur aangegrepen om het thema ‘liefde in de middeleeuwen’ aan bod te laten komen. Dit verhaal over liefde en pijn is van alle tijden. De auteur baseert zijn relaas op de ‘Historia Calamitatum’ van de hand van Abélard zelf. Het is een meeslepend levensverhaal, berouwvol en in het klassieke Latijn geschreven. De auteur citeert hieruit regelmatig en heeft er een spannend geheel van gemaakt. Bekende namen van personen, abdijen en kerken duiken op in het verhaal en geven er a.h.w. een visibiliteit aan.
In ‘De kathedralen’ krijgen wij een heel gedetailleerde beschrijving van het ontstaan van de gotische bouwkunst in Frankrijk. Alles begint met de afbraak van de bestaande Notre-Dame uit de 9°eeuw op het Ile de la Cité. Op dezelfde plaats verrijst een nieuwe Notre-Dame. De bouw ervan vangt aan in het midden van de jaren zestig van de 12°eeuw. Een tijdgenoot, die twijfelt aan de noodzaak van een nieuwe kathedraal , stelt zich daar vragen bij. Er stond immers al een kerk met eerbiedwaardige relieken. Volgens deze bron was de nieuwbouw ‘symptoom van de alom heersende bouwziekte’ en dat, in tijden van armoede. Verscheidene kathedralen passeren de revue : Notre-Dame (Parijs), Saint-Denis, Saint-Etienne, Notre-Dame (Noyon). Suger, abt van Saint-Denis wordt gezien als grondlegger van de gotiek. Hij verbouwde de bestaande kerk van Saint-Denis tot een gotische kathedraal. Een kerk bouwen waarin licht een hoofdrol speelde was nu mogelijk geworden door elementen als de spitsboog, het ribgewelf en de steunberen. Suger verzamelde de gelden voor zijn onderneming uit opbrengsten van de abdijgronden en van twee lucratieve jaarmarkten. Een tweede generatie kathedralen, die van Chartres, Reims, Bourges en Amiens, zouden nog imposanter zijn dan de eerste. De nodige gelden bijeenbrengen was evenwel niet simpel. De initiatiefnemer wist doorgaans hoe aan fondsen te geraken maar dat was niet altijd zo voor zijn opvolgers. Door omstandigheden konden financiële bronnen opdrogen. Stagnering van de handel, mislukking van de wijnoogsten, ziekten en rampen konden een regio teisteren. Allerlei oplossingen om aan gelden te geraken, kwamen uit de bus. Zo ook ontwikkelde zich een bloeiende handel in aflaten en met de opbrengst ervan konden dan prestigieuze projecten worden gerealiseerd. Een ander middel bij voorbeeld om aan centen te geraken, was kunstschatten te gelde maken ten bate van het bouwfonds. Naast de financiële waren er ook de technische problemen als gevolg van de grotere en steeds hogere bouwwerken door de naijver onderling van de bouwheren. Problemen die te maken hadden met materialen, met veiligheid en stabiliteit, met verankering van gigantische ramen, met de opbouw van het dak, met het transport van steen in de hoogte en last but not least met de bouwers die hoogtewerkers werden. Ondanks dat alles hebben kathedralen eeuwen stand gehouden. Speciale aandacht krijgen drie kerken die gewoonlijk als ‘de klassieken’ worden aangeduid: de Notre-Dame van Chartres, van Reims en van Amiens. Een aantal aspecten uit die middeleeuwse kerkenbouw zijn vandaag bij ons herkenbaar wanneer het gaat over bouwprojecten die door de overheid worden gerealiseerd.
Een boeiend boek met de nodige ‘petite histoire’ en ondanks het onacademisch taalgebruik aan te raden.

Hilde Corremans
 

Afbeelding

Bibliografische gegevens

Cas van Houtert, Middeleeuwers tussen hoop en vrees, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2015, 603 pp.

ISBN 9789086841202. € 29,50.